Leerlingenkrimp geen invloed op doelmatigheid onderwijshuisvesting door gemeenten

Krimpende leerlingaantallen in het basisonderwijs hebben geen significante invloed op de doelmatigheid van onderwijshuisvesting door gemeenten. Dat blijkt uit het onderzoek ‘Doelmatig huisvesten’ van IPSE Studies (CAOP/TU Delft). Daarin zijn de onderwijshuisvestingslasten van gemeenten tussen 2007 en 2014 onderzocht. Het onderzoek is onderdeel van een door het ministerie van BZK gesubsidieerd onderzoeksprogramma naar de productiviteit en doelmatigheid van de publieke sector. Download het onderzoek

Doelmatig_huisvesten

Leerlingenkrimp
Tussen 2007 en 2014 daalt het aantal leerlingen in het basisonderwijs met meer dan zeven procent. Lokaal loopt de afname op tot ruim twintig procent. Daardoor ontstaat het risico op leegstand en financiële ondoelmatigheid c.q. verhoogde huisvestingskosten per leerling in de gemeente. Maar uit het onderzoek blijkt dus dat de financiële gevolgen van krimp voor gemeenten meevallen. Veel gemeenten met krimp spelen daar vroeg en goed op in door bijvoorbeeld leegstaande schoolgebouwen te verhuren of een andere functie te geven.

Verder decentraliseren
De zorg voor schoolgebouwen is een gedeelde verantwoordelijkheid van gemeenten en schoolbesturen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de nieuwbouw en renovatie, en schoolbesturen betalen de energierekening en het onderhoud. Steeds vaker klinkt de oproep van schoolbesturen om alle middelen en verantwoordelijkheden door te decentraliseren. Dat moet leiden tot een efficiëntere besteding van de middelen en het verminderen van de frictie tussen schoolbestuur en gemeente.

Schoolbesturen zijn gemiddeld wel kleiner dan gemeenten en lopen daarom eerder financiële risico’s. Om die reden is in 1997 door het Rijk gekozen om juist gemeenten een regierol te geven. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat de kleinste gemeenten relatief hoge huisvestingskosten hebben. Gemeenten met minder dan 1.000 leerlingen (ca. 10.000 inwoners) hebben beduidend hogere gemiddelde kosten. Grotere gemeenten kunnen de bezettingsgraad van schoolgebouwen bijvoorbeeld gemakkelijker optimaliseren.

Hoewel schoolbesturen nu een stuk groter zijn dan in 1997, bevelen de onderzoekers aan om bij doordecentralisatie een minimumomvang van 2.000 leerlingen aan te houden. De meeste schoolbesturen in het basisonderwijs zijn nog aanzienlijk kleiner. Schoolbesturen kunnen mogelijk aan die minimumomvang voldoen door regionale samenwerkingen aan te gaan, die momenteel aan populariteit winnen.